De problemen rond de WIA blijven de politiek bezighouden. Op 31 maart 2026 vond in de Tweede Kamer opnieuw een debat plaats over de WIA-problematiek. De aanleiding is inmiddels bekend: oplopende wachttijden, een tekort aan verzekeringsartsen, zorgen over de kwaliteit van WIA-beoordelingen en een uitvoeringsorganisatie die al jaren onder druk staat.
Voor werkgevers is dit geen abstract politiek dossier. Een WIA-beslissing kan grote financiële gevolgen hebben. Zeker wanneer een werknemer instroomt in de WGA, kunnen de uitkeringslasten jarenlang aan de werkgever worden toegerekend via de Werkhervattingskas of rechtstreeks bij eigenrisicodragerschap. Juist daarom is een tijdige, zorgvuldige en controleerbare WIA-beoordeling essentieel.
Kwaliteit van WIA-beoordelingen onder druk
In het debat werd opnieuw stilgestaan bij de kwaliteit van WIA-beoordelingen. Daarbij werd verwezen naar de bevindingen van de Algemene Rekenkamer. Volgens de Kamerleden was UWV al langer bekend met signalen over gebrekkige kwaliteit van beoordelingen, terwijl het ministerie hierover pas veel later volledig zou zijn geïnformeerd.
Dat is zorgelijk. Werkgevers moeten kunnen vertrouwen op de juistheid van een WIA-besluit. Niet alleen omdat het besluit gevolgen heeft voor de werknemer, maar ook omdat de werkgever vaak financieel belanghebbende is. Wanneer beperkingen onjuist worden vastgesteld, functies onvoldoende worden getoetst of duurzaamheid onvoldoende wordt gemotiveerd, kan dat leiden tot onterechte WGA-instroom of juist tot het missen van een IVA-beoordeling.
De erkenning dat er structurele kwaliteitsproblemen zijn, is belangrijk. Maar erkenning alleen herstelt geen onjuist besluit. In individuele dossiers blijft het noodzakelijk om kritisch te toetsen of het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en navolgbaar is.
Tekort aan verzekeringsartsen blijft centraal probleem
Een terugkerend punt in het debat was het tekort aan verzekeringsartsen. Dat tekort raakt vrijwel alle onderdelen van de WIA-uitvoering: eerste beoordelingen, herbeoordelingen, bezwaarzaken en medische heroverwegingen.
Voor werkgevers betekent dit in de praktijk dat zij lang moeten wachten op duidelijkheid. Een herbeoordeling kan maanden of zelfs jaren blijven liggen. Ondertussen lopen de financiële gevolgen door. Dat is des te wranger wanneer er duidelijke aanwijzingen zijn dat een werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, of wanneer juist sprake is van herstel of toegenomen benutbare mogelijkheden.
In het debat werd gesproken over de inzet van externe verzekeringsartsen en andere vormen van taakherschikking. Dat kan verlichting geven, maar lost niet vanzelf het onderliggende probleem op. Meer capaciteit is nodig, maar die capaciteit moet wel leiden tot kwalitatief goede beoordelingen. Sneller beslissen heeft weinig waarde als de uitkomst vervolgens medisch of arbeidskundig niet deugt.
Dwangsommen onder vuur
Voor werkgevers is met name de discussie over dwangsommen relevant. Wanneer UWV niet tijdig beslist, is de dwangsomregeling een van de weinige middelen om beweging af te dwingen. In het debat werd echter opnieuw gesproken over het buiten werking stellen van bestuurlijke dwangsommen.
Dat is een riskante ontwikkeling. Natuurlijk is het begrijpelijk dat UWV niet geholpen is met het afhandelen van dwangsommen in plaats van WIA-zaken. Maar de oplossing kan niet zijn dat het probleem eenzijdig wordt afgewenteld op werkgevers en werknemers die wachten op een besluit. Als een bestuursorgaan structureel te laat beslist, moet de prikkel liggen bij het verbeteren van de uitvoering, niet bij het afschaffen van rechtsmiddelen voor belanghebbenden.
Voor werkgevers is dit extra belangrijk. Zij hebben geen regie over de snelheid van UWV, maar dragen wel de financiële gevolgen van trage of onjuiste besluitvorming. Het verdwijnen of beperken van de dwangsomregeling zou betekenen dat een belangrijk drukmiddel verder wordt uitgehold.
Meer aandacht voor IVA en duurzaamheid
In het debat kwam ook de positie aan de orde van mensen bij wie herstel nagenoeg is uitgesloten, bijvoorbeeld bij ernstige progressieve aandoeningen. Er werd gesproken over maatregelen om onnodige herbeoordelingen te voorkomen en sneller duidelijkheid te bieden wanneer sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid.
Dat raakt direct aan de kern van het verschil tussen WGA en IVA. Wanneer iemand volledig arbeidsongeschikt is en verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks te verwachten is, hoort een IVA-beoordeling serieus en concreet te worden verricht. In de praktijk zien wij echter nog te vaak dat duurzaamheid summier wordt afgewezen met algemene verwijzingen naar behandeling, tijdsverloop of theoretische herstelkansen.
Dat is onvoldoende. De beoordeling van duurzaamheid moet worden gebaseerd op de individuele medische situatie, het feitelijke beloop, de reeds ingezette behandelingen en een concrete prognose van de belastbaarheid. Als UWV stelt dat verbetering nog te verwachten is, moet duidelijk zijn waarop die verwachting berust en welke functionele verbetering dan realistisch wordt geacht.
Controleerbaarheid van besluiten blijft essentieel
Een ander belangrijk punt uit het debat was de behoefte aan beter controleerbare besluiten. Daarbij werd vooral gesproken over uitkeringsgerechtigden: zij moeten beter kunnen nagaan of dagloon, uitkeringshoogte en medische beoordeling kloppen.
Dat is terecht, maar te beperkt. Ook werkgevers moeten besluiten kunnen controleren. Zij zijn vaak financieel belanghebbende en kunnen jarenlang geconfronteerd worden met lasten die voortvloeien uit een WIA-besluit. Dan moet ook voor hen inzichtelijk zijn hoe UWV tot de uitkomst komt.
Dat betekent niet dat medische gegevens zonder waarborgen met werkgevers gedeeld moeten worden. Het betekent wel dat de besluitvorming toetsbaar moet zijn. De werkgever moet kunnen beoordelen of bezwaar zinvol is, of de arbeidskundige onderbouwing klopt, of de mate van arbeidsongeschiktheid juist is vastgesteld en of ten onrechte geen IVA is toegekend.
Politieke erkenning is geen oplossing voor individuele dossiers
Het debat laat zien dat de WIA-problematiek inmiddels breed wordt erkend. Er is aandacht voor wachttijden, beoordelingskwaliteit, instroom, uitvoeringscapaciteit en de financiële houdbaarheid van het stelsel. Tegelijkertijd is de richting nog onzeker. Er wordt gesproken over hervorming, bezuiniging, betere informatievoorziening en aanpassing van procedures.
Voor werkgevers is de boodschap helder: wacht niet af tot het stelsel is gerepareerd. In individuele dossiers blijft het noodzakelijk om WIA-besluiten kritisch te controleren. Dat geldt in het bijzonder bij:
- WGA-toekenningen waarbij mogelijk sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid;
- besluiten waarin duurzaamheid onvoldoende concreet is gemotiveerd;
- arbeidskundige beoordelingen met discutabele functies;
- herbeoordelingen die niet of veel te laat worden opgepakt;
- situaties waarin WGA-lasten ten onrechte aan de werkgever worden toegerekend.
Conclusie
De Tweede Kamer ziet dat de WIA-uitvoering piept en kraakt. Dat is op zichzelf winst. Maar voor werkgevers verandert er pas iets wanneer UWV tijdig, zorgvuldig en controleerbaar beslist.
Tot die tijd blijft het noodzakelijk om WIA-besluiten niet als gegeven te accepteren. De financiële belangen zijn daarvoor te groot en de kwaliteit van de besluitvorming is daarvoor te wisselend. Werkgevers doen er verstandig aan om bij iedere relevante WIA-beslissing kritisch te laten beoordelen of de medische en arbeidskundige onderbouwing klopt, of IVA aan de orde is en of de uitkeringslasten terecht aan hen worden toegerekend.