Bekijk alle actualiteiten

Voorgenomen wetswijziging WIA: dwangsom bij te late beslissing UWV mogelijk tijdelijk van tafel

18 juni 2026

De wachttijden bij UWV lopen al jaren op. Werkgevers merken dat dagelijks. WIA-aanvragen blijven lang liggen, herbeoordelingen worden niet of nauwelijks opgepakt en bezwaren kunnen maanden tot soms langer dan een jaar duren. Dat is niet alleen vervelend voor werknemers, maar ook voor werkgevers die financieel worden geraakt door WGA-lasten, premiedifferentiatie of het eigenrisicodragerschap.

Juist in die context ligt er nu een wetsvoorstel dat de positie van werkgevers verder kan verzwakken. Het kabinet wil de regels over het verbeuren van bestuurlijke dwangsommen bij niet tijdig beslissen tijdelijk buiten werking stellen voor WIA-zaken. Kort gezegd: als UWV te laat beslist op een WIA-aanvraag of op een bezwaar tegen een WIA-besluit, zou UWV in die gevallen geen bestuurlijke dwangsom meer hoeven te betalen.

Dat klinkt technisch, maar de praktische betekenis is groot. De ingebrekestelling en de daaropvolgende bestuurlijke dwangsom zijn op dit moment één van de weinige laagdrempelige middelen waarmee belanghebbenden druk kunnen zetten op UWV om alsnog een besluit te nemen. Voor werkgevers is dat middel vooral relevant bij bezwaarprocedures en herbeoordelingsverzoeken, bijvoorbeeld wanneer discussie bestaat over de vraag of sprake is van WGA of IVA, of wanneer een lopende WGA-uitkering mogelijk ten onrechte aan de werkgever wordt toegerekend.

Waarom wil de wetgever dit?

De achtergrond is duidelijk. UWV kampt met grote achterstanden bij sociaal-medische beoordelingen. Er is een structureel tekort aan verzekeringsartsen, de WIA-instroom neemt toe en de uitvoeringsorganisatie staat al langere tijd onder druk. Volgens de toelichting op het wetsvoorstel leiden ingebrekestellingen en dwangsommen in de praktijk niet meer tot snellere besluitvorming, omdat UWV feitelijk onvoldoende capaciteit heeft om alle zaken tijdig af te handelen.

Dat probleem is reëel. Werkgevers zien ook dat UWV vastloopt. Maar de vraag is of het uitschakelen van rechtsbescherming de juiste oplossing is.

Onze kritiek: het probleem wordt verplaatst

Een bestuursorgaan behoort zijn organisatie zo in te richten dat wettelijke taken binnen wettelijke termijnen kunnen worden uitgevoerd. Als dat structureel niet lukt, is dat in de eerste plaats een probleem van de overheid zelf. Door de dwangsomregeling buiten toepassing te verklaren, wordt dat probleem verplaatst naar de wachtende belanghebbende.

Voor werknemers betekent dit langer wachten op inkomenszekerheid. Voor werkgevers betekent dit langer onzekerheid over financiële toerekening, WGA-lasten, premie-effecten, eigenrisicodragerschap en reserveringen. Juist werkgevers die actief gebruikmaken van bezwaar of herbeoordeling om onjuiste WGA-lasten te corrigeren, verliezen daarmee een belangrijk drukmiddel.

Het wetsvoorstel neemt de wettelijke beslistermijn niet weg. UWV moet dus formeel nog steeds tijdig beslissen. Maar als de laagdrempelige financiële prikkel verdwijnt, wordt die termijn in de praktijk minder hard. Dan blijft vooral de route van beroep wegens niet tijdig beslissen over. Die route is zwaarder, formeler en minder laagdrempelig dan een ingebrekestelling met bestuurlijke dwangsom.

“Tijdelijk” is onvoldoende concreet

Het wetsvoorstel wordt gepresenteerd als tijdelijk. Dat is op zichzelf belangrijk, maar de voorgestelde tekst bevat geen concrete einddatum, geen maximale looptijd en geen objectieve criteria voor beëindiging. De regeling vervalt pas op een later bij koninklijk besluit te bepalen moment.

Dat roept vragen op. Wanneer is UWV “weer in staat” om tijdig te beslissen? Gaat het dan om WIA-aanvragen, herbeoordelingen, bezwaren of alle categorieën tegelijk? Is een beperkte overschrijding nog acceptabel? En wie controleert of de tijdelijke maatregel niet feitelijk langdurig blijft bestaan?

Bij een ingreep in een algemeen rechtsmiddel uit de Algemene wet bestuursrecht hoort wat ons betreft een harde horizonbepaling en parlementaire herbeoordeling. Tijdelijk moet ook echt tijdelijk zijn.

Risico op precedentwerking

Er speelt ook een breder punt. Als structurele uitvoeringsproblemen voldoende reden zijn om de wettelijke dwangsomregeling uit te schakelen, ontstaat een gevaarlijk precedent. Vandaag gaat het om UWV en de WIA. Morgen kan dezelfde redenering worden gebruikt bij andere uitvoeringsorganisaties die hun wettelijke beslistermijnen niet halen.

Dan wordt de lijn: zodra een uitvoeringsorganisatie het werk niet meer aankan, wordt niet primair de uitvoering hersteld, maar het rechtsmiddel van burgers en werkgevers beperkt. Dat is een principieel andere benadering van rechtsbescherming.

De energie moet naar WIA-besluiten, niet naar het afzwakken van rechtsmiddelen

Niemand is erbij gebaat dat UWV veel tijd en geld kwijt is aan dwangsommen. Maar de oorzaak daarvan is niet de dwangsomregeling zelf. De oorzaak is dat beslissingen te lang uitblijven.

De bestuurlijke en wetgevende energie die nu wordt gestoken in het beperken van de dwangsomregeling, zou primair moeten worden gericht op het daadwerkelijk afhandelen van WIA-zaken. Werkgevers hebben behoefte aan tijdige, inhoudelijk zorgvuldige en juridisch houdbare besluiten. Niet aan een systeem waarin de termijnoverschrijding blijft bestaan, maar het drukmiddel daartegen verdwijnt.

Wat betekent dit voor werkgevers?

Als dit wetsvoorstel wordt ingevoerd, wordt het voor werkgevers lastiger om via een ingebrekestelling druk te zetten op UWV in WIA-zaken. Vooral bij bezwaarprocedures en herbeoordelingsverzoeken kan dat voelbaar zijn. Werkgevers doen er daarom verstandig aan hun lopende WIA-dossiers kritisch te beoordelen, termijnen scherp te bewaken en tijdig te bepalen welke processtappen nog mogelijk en zinvol zijn.

De kern blijft: werkgevers hebben een concreet financieel belang bij tijdige WIA-besluitvorming. Dat belang verdient bescherming. Het oplossen van structurele achterstanden bij UWV mag niet gebeuren door één van de weinige effectieve drukmiddelen van belanghebbenden weg te nemen.